Halina Reijn maakt furore met Babygirl en gebruikt de veelvuldige media-aandacht voor haar film regelmatig om statements te maken over rollen voor oudere vrouwen, orgasmes en onconventionele seksuele relaties. Het zou een feministische film zijn. Toen ging ik Babygirl bekijken en zag ik iets heel anders.
Het begint al met de mythe dat Romy – de hoofdpersoon, gespeeld door Nicole Kidman – een sterke vrouw is, een geslaagd iemand, een vrouw met macht, invloed en een mooi familieleven. Maar in de film zie je nooit, op geen enkele manier dat ze slim is, visie heeft, leidinggeeft, strategisch denkt, geniet van haar werk of haar intelligentie. Ze is als Barbie die een mantelpak aangetrokken krijgt en dan een werkende vrouw is. Het is een pose, we kijken naar een pop die een kantoorgebouw is ingeschoven.
Permanent getuite lippen
Die Barbie-associatie komt ook door hoe Kidman eruitziet, een grap die daarover in de film gemaakt wordt helpt niet echt om dat te relativeren. Ik zie een vrouw die zichzelf verminkt heeft om een broodmagere fee met een meisjesgezicht met permanent getuite lippen te worden. Haar hele verschijning communiceert onzekerheid, onderworpenheid en vrouwelijkheid volgens nauwe dogma’s. Ik zie iemand die zich heeft uitgeleverd aan een meedogenloze schoonheidscult, iemand die haar buitenkant belangrijker vindt dan wat dan ook. Voor mij staat dat uiterlijk als een blok voor de toegangsdeur naar haar innerlijke leven.
Deze arme Romy, deze Barbie, deze vrouw die geen vrouw wil zijn maar een meisje, heeft een man die theaterregisseur is maar wars is van spel (in bed), en zij verlangt naar iets anders dan de (saaie? tedere?) gewoonteseks die hij in de aanbieding heeft. Ze wil een kussen over haar hoofd, een lichaam zijn dat gebruikt wordt. Ze wil gedomineerd worden. De film suggereert dat ze een ingewikkeld verleden heeft en ze daarvan met therapie probeert te genezen. Er wordt geen verdere informatie verschaft over de achtergrond van haar trauma’s, waardoor het idee overblijft dat ze vooral van haar vermeend perverse verlangens probeert te genezen. Tot ze zich eraan overgeeft.
Een vrouw die op haar knieën wil gaan liggen omdat een man dat haar opdraagt is feministisch, beweert Reijn
Ze begint een verhouding met een veel jongere man, een stagiair bij het robotbedrijf waaraan ze leiding geeft, die haar bevelen geeft en haar op haar knieën dwingt, een jongen die haar vaderfiguur wil zijn. Reijn beweert dat dit een feministisch statement is. En tot mijn stijgende verbazing wordt dit in de pers vrijwel kritiekloos overgenomen, zelfs geprezen. Dus: een vrouw die op haar knieën wil gaan liggen omdat een man dat haar opdraagt is feministisch. (Omdat het eigenlijk niet feministisch is maar deze vrouw het toch wil, en het ook doet, omdat zij dat wil, niet omdat hij het wil, of, nou ja, wel omdat hij het wil, maar alleen omdat zij wil dat hij dat wil…)
Vooral beelden van ongelijkheid
Is de conclusie van Babygirl dat haar onderdanigheid in een seksuele relatie geen patriarchaal dogma, geen gevolg van trauma en geen perversie, maar eerder een geaardheid is? Dat is een interessante stelling. Maar de film en ook de wijze waarop die wordt aangeprezen, doet er alles aan om dat inzicht te vertroebelen. Zozeer zelfs dat ik me inmiddels afvraag of het eigenlijk wel de conclusie van de film is of dat dit vooral een inzicht is dat een betere film verdiend had.
Want terwijl wordt beweerd dat toegeven aan haar fantasie van onderworpen vrouw van háár is, niet is opgelegd, en daarmee een feministische overwinning is, zie ik vooral beelden van de ongelijkheid en seksualisering waarmee vrouwen (en mannen) al hun leven lang gevoed zijn. Het keukenschort, de sexy outfits, de kom-maar-bij pappie-porno, zij liggend aan zijn voeten.
Het gezin lijkt even een tegenwicht, met die dochters die de injecties met fillers van hun moeder ook maar raar vinden, en haar man die als theatermaker het tegenovergestelde van robots lijkt te symboliseren. Maar Romy is een vreemdeling in dat gezin, haar kinderen houden zich wel met haar bezig maar zij nauwelijks met hen, er is helemaal geen contact. Er is toch echt wel iets mis met haar, denk ik als kijker, iets meer dan alleen moeite met klaarkomen. Die echtgenoot heeft trouwens ook weinig te bieden qua wereldbeeld of hartstocht – behalve dan zijn infantiele masculiene reactie op het overspel als dat uitkomt. Ook al zo ouderwets, stereotiep en saai.
En hij denkt dat Hedda Gabler, het beroemde toneelstuk van Hendrik Ibsen, over zelfmoord gaat. De film legt ons uit dat het in plaats daarvan over verlangen gaat. Maar beide opvattingen gaan voorbij aan dat Ibsens stuk uit 1890 (ook) gaat over de gevolgen voor levens van vrouwen die ondergeschikt zijn aan mannen. Over vrouwen die zijn carrière moeten dienen (of dwarsbomen) in plaats van die van henzelf, en die op het gebied van dromen en verlangens alleen de liefde kunnen kiezen. Vrouwen die op die manier nooit iets van geestelijke autonomie kunnen bereiken.
Lees ook
Feministisch of niet feministisch? Wat willen vrouwen (en mannen) werkelijk?
Oppervlakkige troela
Seks kan een spel zijn en dominantie en overgave daaraan kunnen inzet zijn van dat spel. Alles kan als er consent is – dat zegt de film ook nadrukkelijk, bij monde van de stagiair. En er bestaat ook zoiets als sexual healing: mensen kunnen hun onzekerheid, verlatingsangst, zelfhaat of bezitsdrang uitspelen in een seksueel spel en zo helen, of zich laten troosten in intimiteit. Seks wordt beter als iemand in contact is met zichzelf, en als twee mensen kwetsbaar, open en op elkaar afgestemd kunnen zijn. Als je niet iets speelt dat niet bij je past of dat je is opgelegd, als je vrij bent in je verlangens. Dan is seks niet politiek, en ook niet wel of niet feministisch. Dat is de ware emancipatie. Maar daar gaat Babygirl helaas helemaal niet over. Dat komt omdat Reijn en Kidman zich te buiten zijn gegaan aan man-vrouw clichés en dat als feminisme verkopen.
En eigenlijk zegt het slot van de film niets meer dan dat je leven af is als je ergens de baas bent en heel veel geld hebt en ook een gezin en als kers op de taart ook nog seks met orgasmes. Verder kun je dan een afstandelijke, oppervlakkige troela blijven die zelden iets slims zegt. Niet mijn idee van feminisme.
Sinds kort hebben wij, twee pensionado’s, een allerschattigst jong hondje, Teddy genaamd. Gewoonlijk loop ik buiten met Teddy, maar toen mijn man haar gisteren op het plein voor ons huis uitliet wist hij niet wat hem overkwam. Een leuke jonge vrouw kwam enthousiast wuivend en roepend op hem afgesneld. Binnen gehoorsafstand bleek haar lokroep echter: „Teddy Teddy, schatje, ben je daar weer!”
Lezers zijn de auteurs van deze rubriek. Een Ikje is een persoonlijke ervaring of anekdote in maximaal 120 woorden. Insturen via [email protected]
In 1979 begon Berrie Hanselman als ‘uitluisteraar’, zoals dat destijds bij de Binnenlandse Veiligheidsdienst (BVD) heette. In die functie hoorde Hanselman via telefoontaps en afluistermicrofoons wat gewelddadige linkse extremisten van bijvoorbeeld de Revolutionaire Anti-Racistische Actie (RaRa), elkaar zoal te vertellen hadden – zoals in de zomer van 1987.
René Roemersma, RaRa-voorman, was woedend geworden. Een aanslag met een brandbom op een Shell-station in Nieuwegein had niet de gehoopte media-aandacht gegenereerd. „Dan maar iets groters, riep Roemersma”, vertelt Hanselman (74). Een week later ging een groot opslagpunt van Shell-produkten in Alphen aan den Rijn in vlammen op. Een legitiem doelwit voor RaRa vanwege de investeringen van de multinational in het Zuid-Afrikaans apartheidsregime. Op het terrein lagen gasflessen en 600.000 liter aan dieselolie en benzine opgeslagen. Deze actie, waarvan Hanselman en diens BVD-collega’ s de haastige voorbereidingen hadden gemist, oogstte wel de nodige aandacht – en hoe. „Als de wind vanuit een andere richting had geblazen en alles was geëxplodeerd, was een hele woonwijk weggevaagd”, vertelt Hanselman.
De sinds 2017 gepensioneerde medewerker van de geheime dienst (inmiddels AIVD geheten) promoveert deze vrijdag op links-extremisme in Nederland en de aanpak daarvan door de overheid. Hanselman werd door de afluisterpraktijken gegrepen door het onderwerp: „Als je alle emoties hoort, komen die veel meer binnen dan een schriftelijk verslag van een emotioneel gesprek”, vertelt hij.
Na 1979 zou de AIVD’er bijna veertig jaar het uitdijend universum van extremistische anti-apartheidsstrijders, antifascisten, krakers, anti-imperialisten, dierenextremisten, en strijders tegen een streng asielbeleid in kaart brengen. In de periode 1969-2010 ondernamen deze groepen ongeveer 85 gewelddadige acties, leert een overzicht achterin het proefschrift . Vaak ging het om kleinere branden en vernielingen, soms om veel zwaardere aanslagen.
Eind 1991 werd bijvoorbeeld de achtermuur van het huis van PvdA-politicus Aad Kosto, toen staatssecretaris voor Asiel, opgeblazen. Extremisten van RaRa hadden een zwaar explosief bij de woning in Grootschermer laten afgaan. Kosto was niet thuis, maar foto’s van een toegesnelde en geschrokken staatssecretaris, zijn kat stevig omklemmend, gingen de wereld over.
Voor mijn onderzoek was sprake van een kennislacune over links-extremisme. De oogst van inlichtingen – zoals observaties en infiltraties – verhelpt dit nu deels
Hanselmans carrière groeide mee met het links-extremisme. De AIVD-analist werd dé vraagbaak voor gemeenten, Rijk en Europese Commissie. In zijn analyses hamerde hij op het onderscheid tussen goedwillende wereldverbeteraars en extremisten, die met geweld de rechtsorde overschreden. Het was deze laatste groep die door de AIVD werd geobserveerd, afgeluisterd en geinfiltreerd.
Hanselman deed veel meer dan analyseren. Hij schreef mee aan ‘ambtsberichten’ van de AIVD voor het Openbaar Ministerie als het extremisten wilde vervolgen. Ook adviseerde hij burgemeesters hoe om te gaan met demonstraties van antifascisten. Voor de dienst schreef hij brochures over links-extremisme.
Repressie
Nu is er dus een proefschrift van Hanselman. In Links geweld: de invloed van interne discussie en overheidsrespons vraagt de promovendus zich onder meer af wat overheidsrepressie (politie) en infiltratie (BVD/AIVD) bijdroegen aan de neergang van het links-extremisme in Nederland. Gewelddadige groepen zoals RaRa en de Rode Jeugd bestaan immers niet meer, het aantal geweldsincidenten nam sterk af. Hanselmans niet al te verrassende conclusie over de repressie luidt: die was „effectief” – al hebben ook andere factoren, zoals interne onenigheden en onderling wantrouwen onder activisten, bijgedragen.
Toch is het een opmerkelijk proefschrift, dat Hanselman vrijdagochtend verdedigt bij de relatief jonge richting Inlichtingenstudies in Leiden. Het gebeurt niet elke dag dat een oud-AIVD’er op ‘zijn’ onderwerp promoveert en inkijkjes geeft in eigen werk en ‘doelwitten’ . Zo schrijft Hanselman dat de dienst zich in 2008 bij het ministerie van Binnenlandse Zaken beklaagde over een nieuw ‘businessmodel’ van antifascisten. Die maakten hun Wob-aanvragen (Wet openbaarheid van bestuur) aan gemeenten expres zó ingewikkeld dat die niet binnen de wettelijke termijnen konden reageren. „Boetes daarvoor konden oplopen tot bijna 1.200 euro per keer. Die moesten aan de aanvragers, in dit geval de antifascisten, worden betaald”, vertelt Hanselman, nog steeds zichtbaar verontwaardigd. Na de klachten van de AIVD, maar ook na berichten over misbruik door commerciële partijen, stelde minister Guusje ter Horst (PvdA) paal en perk aan deze praktijken.
Hanselmans proefschrift behandelt ook de aanslag op LPF-politicus Pim Fortuyn, op 6 mei 2002. Hij karakteriseert de drijfveren van de milieu-activist Volkert van der Graaf, de moordenaar van Fortuyn, anders dan het OM. Het ministerie wees tijdens het strafproces op politiek-ideologische motieven. Hanselman spreekt juist van een „a-politieke” eenling, gedreven door dierenliefde.
Het proefschrift valt verder op door een rijkdom aan bronnen. De auteur wist precies welke stukken (analyses, nota’s, notulen, vertrouwelijke brieven aan burgemeesters) in de AIVD-archieven te vinden waren en welke kans zouden maken op publicatie na een Wob-procedure. „Door mijn voorkennis heb ik veel meer informatie boven tafel kunnen krijgen dan andere onderzoekers hadden gekund”, schrijft Hanselman in zijn proefschrift.
Veel minder scheutig is de oud-analist met het beschrijven van de eigen rol in de totstandkoming van al die bronnen. Zijn bijdragen komen in het proefschrift meestal niet, of slechts summier, aan de orde. Maar: „Vanaf 1992, toen ik analist was geworden, schreef ik al die stukken zelf”, vertelt Hanselman aan NRC in een Haags hotel.
Had uw proefschrift niet transparanter moeten zijn over uw eigen rol destijds?
„Transparantie is een moeilijk begrip in de inlichtingenwereld. In overleg met mijn promotoren Paul Abels [oud-hoogleraar Inlichtingenstudies] en Jelle van Buuren [universitair hoofddocent aan het Institute of Security and Global Affairs van de Leidse universiteit] waren we het snel eens dat ik afstand zou bewaren tot het materiaal. Ik wilde mijn eigen rol niet al te groot maken, mezelf niet op de voorgrond plaatsen.
„Het materiaal moest vooropstaan, concludeerden we. Juist dat had meerwaarde. Er bestond voorafgaand aan mijn onderzoek een grote kennislacune over links-extremisme, vanouds een gesloten wereld. De oogst van inlichtingenmiddelen – zoals observeren, afluisteren, infiltreren – verhelpt dit hiaat nu deels. Daarbij heb ik die informatie zoveel mogelijk bevestigd en aangevuld met open bronnen zoals mediaberichten, interviews van activisten zelf, artikelen in hun bladen, en allerlei studies.
We kenden Van der Graaf alleen van twee aangiftes die hij voor 2002 had gedaan tegen boze boeren die hem hadden bedreigd
Liet u ook anderen het materiaal van uzelf beoordelen?
,,Ja, mijn promotoren keken mee. Paul Abels heeft decennia lang voor BVD en AIVD gewerkt en beschikt over heel veel ervaring met het interpreteren van dergelijk materiaal. Jelle van Buuren verkeerde in zijn jongere jaren enige tijd in de anti-imperialistische periferie van RaRa en kende daarom mogelijk ook haar voorman Roemersma persoonlijk. Van Buuren kon dus vanuit zijn eigen activistische ervaring en verleden het materiaal beoordelen.”
Misschien schreef u ook weinig expliciet over uw eigen rol om een kritische reactie van uw voormalig werkgever op uw proefschrift te voorkomen?
„Nee, ik had mijn eigen afwegingen om mijzelf niet op de voorgrond te plaatsen. Wel is het zo dat de nieuwe generatie van de dienst alles supergeheim wil houden, ook wat zich veertig jaar geleden afspeelde. Niet voor niets bepleit ik in een van mijn promotiestellingen een veel minder krampachtige omgang met inlichtingenmateriaal. Dat kan het wantrouwen over de diensten verminderen.”
Ook in de zaak-Volkert van der Graaf houdt u uw eigen rol klein. U beschrijft de moordenaar van Fortuyn als een ‘a-politieke’ extremist die buiten de scope van uw dienst viel. Laat u daarmee uzelf en de dienst niet makkelijk wegkomen?
„De realiteit van 2002 was nu eenmaal dat de meeste dierenactivisten a-politiek waren. De golf van vernielingen uit meer ideologisch gemotiveerde hoek was rond 1998 gestopt. Daarna keken we als dienst niet meer naar milieu- en dierenextremisme. Van der Graaf viel in de categorie activisten die overbleef: ideologisch neutraal, emotioneel, gedreven door dierenliefde. We kenden hem alleen van twee aangiftes die hij voor 2002 had gedaan tegen boze boeren die hem hadden bedreigd vanwege juridische procedures die hij tegen ze voerde.
„De dierenliefde van Van der Graaf stond haaks op de, laten we zeggen ‘weinig diervriendelijke’ inzet van Fortuyn. Die wilde fabrieken laten bouwen, zei hij, waar koeien aan de ene kant erin gingen en aan de andere kant eruit kwamen als rookvlees. Dat triggerde Van der Graaf, concludeerde ook de dienst.”
Maar na de aanslag werd juist meer bekend over Van der Graafs omgang met politiek gelijkgezinden in een Wagenings woonoord waar veel linkse activisten kwamen. U neemt nieuw onderzoek van onder anderen publicist Johan Faber over het ideologische umfeld van Van der Graaf niet op in uw proefschrift. Wel handhaaft u uw oorspronkelijke inschatting als AIVD-analist en geeft vervolgens als promovendus dat oordeel een stempel van goedkeuring.
„Er was geen aanleiding om die inschatting te wijzigen. We waren al voor de aanslag op Fortuyn bij dat woonoord langsgeweest voor onderzoek naar de Ziedende Bintjes. Dat was een linkse club die experimentele aardappelvelden rond Wageningen rooide uit protest tegen genetische modificatie. Van der Graaf was daarin juist níét naar boven gekomen als betrokkene.
„Verder keek ik na de aanslag – op persoonlijke titel en niet als onderdeel van officieel AIVD-onderzoek – naar Van der Graafs eventuele betrokkenheid bij vijf grote branden, in jaren voorafgaand aan de moord, bij pluimveehouderijen en slachterijen in de buurt van Harderwijk. Daar woonde Van der Graaf toen. Serieuze aanwijzingen voor zijn betrokkenheid bij deze acties van dieren-extremisten van Rode Haan hebben echter nooit geleid tot nader onderzoek door het OM.”
U concludeert in uw proefschrift dat de overheid het links-extremisme ‘effectief’ heeft bestreden. Hier keurt de slager z’n eigen vlees, lijkt het.
Hanselman heeft bijna veertig jaar het uitdijend universum van antifascisten, krakers, asiel- en dierenextremisten in kaart gebracht
„In mijn proefschrift ben ik niet alleen maar positief. Ik laat ook zien hoe moeizaam die strijd aanvankelijk was omdat politie en AIVD langs elkaar heen werkten door tegengestelde belangen. De politie moest de openbare orde bewaken en wilde bij demonstraties of acties sneller ingrijpen, aanhouden of de wapenstok gebruiken.
„De dienst wilde juist voorkomen dat hierdoor activisten zouden radicaliseren en ondergronds zouden gaan. Ik moest geregeld ME en politie waarschuwen: ga nu niet knuppelen, dan worden de activisten voor ons onbereikbaar. Dat hielp niet altijd.
,,Onze matigende houding leidde overigens wel eens tot ongenoegen van bedrijven als Shell die geregeld mikpunt waren van acties. Die zeiden in het regulier overleg dat we met zulke bedrijven hadden, dat we als dienst niet hard genoeg optraden tegen activisten.
„Na pakweg het jaar 2000 lukte het steeds beter de tegengestelde belangen van dienst en politie op elkaar aan te laten sluiten. Ze overlegden beter met elkaar.”
Welke lessen kan de overheid trekken uit uw ervaringen en proefschrift?
„Enerzijds dat het aantal links-extremisten dat geweld wil gebruiken, destijds al klein was – hooguit enkele tientallen – en sindsdien nog kleiner is geworden. Veruit de meesten vinden geweld moreel verwerpelijk of onhandig, omdat je daarmee de aandacht van politie en justitie op jezelf vestigt.
„Anderzijds bieden goedwillende protestbewegingen altijd de kans aan kwaadwillenden om mee te liften. Zo zag ik op televisie en sociale media oude bekenden onder extremisten – antifascisten, anti-imperialisten – opduiken bij wegblokkades van Extinction Rebellion en pro-Palestijnse protesten bij universiteiten. Zo’n kleine extremistische kern is gehard en ervaren. Ze maakt zich uit de voeten voordat de politie blokkades of demonstraties heeft beëindigd. Goed inlichtingenwerk kan de politie helpen om de extremisten er bij voorbaat uit te halen, zodat ze niet mee kunnen doen aan de demonstraties.”
Worden de extremisten die u nu ziet opduiken, afgeluisterd door de AIVD?
„Ik mag hopen van wel. En ik denk ook van wel.”
Lees ook
Radicaal-links spreekt zich stevig uit op internet. Is er serieuze dreiging?
De grootste genderpoli van Nederland, in het Amsterdam UMC, neemt voorlopig geen nieuwe volwassenen in behandeling. De beslissing is het gevolg van een overbelasting van de genderzorg. Er worden „veel meer personen […] naar ons verwezen dan wij aankunnen”, schrijft Amsterdam UMC in een document voor mensen die informatie willen over de wachttijden bij de poli. Kinderen en adolescenten die op de wachtlijst staan ingeschreven, worden nog wel opgeroepen voor een intakegesprek.
Op de genderpoli van het Kennis- en Zorgcentrum Genderdysforie (KZcG) in Amsterdam UMC komen mensen die voelen dat hun geboortegeslacht niet bij hen past. Na een doorverwijzing van een huisarts of een andere zorgverlener, komen patiënten op de wachtlijst voor een eerste afspraak met een psycholoog, waarna mogelijk een diagnostiek traject begint. In dit traject wordt door psychologen (en soms psychiaters) onderzocht of iemand aan genderdysforie lijdt. En of mensen behandeld kunnen worden met hormonen en eventueel een operatie kunnen ondergaan.
Het ziekenhuis zag zich genoodzaakt tot stappen omdat ook de wachttijden binnen het behandeltraject toenemen. Na een intake moeten patiënten steeds langer wachten op een tweede afspraak: bij kinderen en adolescenten duurt dat ongeveer twee maanden, bij volwassenen ruim een jaar. Terwijl het aantal aanmeldingen al jaren gestaag toeneemt, heeft de poli „net als heel Nederland te maken met een tekort aan psychologen”.
‘Instromen’
Op dit moment staan ruim 4.500 volwassenen en 1.000 kinderen en adolescenten op de wachtlijst in Amsterdam. Daar komen maandelijks honderd nieuwe aanmeldingen bij. Jaarlijks roept het ziekenhuis gemiddeld 450 volwassenen en 250 kinderen en adolescenten op.
Het ziekenhuis spreekt niet van een patiëntenstop, volwassenen kunnen nog wel worden doorverwezen naar Amsterdam UMC, benadrukt de woordvoerder van de poli. Maar ze komen dan op de wachtlijst – waar dus voorlopig weinig mee gebeurt. „Zodra de psychologische bezetting weer op orde is”, kunnen volwassenen weer „instromen”.
Wat we wel weten is dat deze toename ook op andere plekken in de wereld gezien wordt
Waarom steeds meer mensen zich aanmelden voor de zorg weet het ziekenhuis niet precies. „Wat we wel weten is dat deze toename ook op andere plekken in de wereld wordt gezien.” Mogelijk zouden mensen door groeiende aandacht, acceptatie en bewustwording in de maatschappij, de weg naar de poli makkelijker weten te vinden, aldus Amsterdam UMC. Het aantal mensen dat wordt door verwezen naar de genderpoli groeit ook omdat er in de zorg niet alleen meer ruimte is voor mensen die zich als man of vrouw identificeren, maar ook voor mensen die bijvoorbeeld non-binair zijn.
Wachtlijst
Net als Amsterdam UMC hebben ook andere genderklinieken beperkte capaciteit en moeten mensen ook daar jaren wachten. Volgens de Amsterdamse poli ligt de oplossing niet in het uitbreiden van één centrum, maar in samenwerking met ziekenhuizen, ggz-instellingen en huisartsen. „In het overleg met het ministerie van VWS, zorgverzekeraars en patiëntenorganisaties geeft Amsterdam UMC al jarenlang aan dat zij niet in staat is om de sterke toename van verwijzingen alleen aan te kunnen”, schrijft Amsterdam UMC.
Hoelang volwassenen en kinderen nog moeten wachten, kan Amsterdam UMC niet voorspellen. Op dit moment worden volwassenen die in november 2020 door een huisarts of zorgverlener zijn doorverwezen, ingepland voor een eerste gesprek met een psycholoog in het voorjaar. Zij hebben dan dus zo’n 4,5 jaar op de wachtlijst gestaan. Kinderen en adolescenten die dan worden opgeroepen hebben ongeveer 2,5 jaar op de wachtlijst gestaan.
Het ziekenhuis schrijft in het document dat mensen ook hun zorgverzekeraar kunnen spreken. „U bent uiteindelijk voor zorg verzekerd en kunt deze op het moment niet krijgen.”