Op 5 november kwam er een einde aan de maandenlange campagne voor de Amerikaanse presidentsverkiezingen. De toon van die campagne was, net zoals in voorgaande jaren, uiterst bits. Donald Trump zei dat zijn tegenstander Kamala Harris een „laag IQ” heeft, en beschuldigde haar ervan „opeens zwart te zijn geworden”; hijzelf werd meermaals als fascist weggezet. Dat verhinderde niet dat Trump werd verkozen. De Republikeinen hebben bovendien de Senaat en mogelijk het Huis van Afgevaardigden heroverd op de Democraten.
Niettemin blijven de ‘Verenigde’ Staten diep verdeeld. Trump behaalde waarschijnlijk 1,5 tot 2 procentpunt meer stemmen dan Harris (nog niet alle stemmen zijn op moment van dit schrijven geteld), terwijl Amerikaanse presidentsverkiezingen historisch gezien met marges van gemiddeld 8,5 procentpunt worden gewonnen. De politieke polarisatie – veel Democratische Amerikanen hebben een erg negatief beeld van Republikeinen en vice versa – zal ongetwijfeld alleen maar verder toenemen.
Niet vreemd dus dat opiniemakers zich ernstige zorgen maken over de toekomst van de Amerikaanse democratie. Een scenario zoals in de documentaire War Game (2024), waarin een team van militairen en ambtenaren bij wijze van oefening probeert een couppoging te voorkomen, is op dit moment gelukkig niet aan de orde. Maar wat als Trump zijn verkiezingsbelofte om miljoenen migranten te deporteren echt wil waarmaken? Dan moet het leger ingezet worden, en het is de vraag welke reactie dat zal oproepen in de Democratische staten. Historici maken de laatste jaren daarom steeds vaker vergelijkingen met het Amerika van het midden van de negentiende eeuw. Spanningen over slavernij leidden toen tot een bloedige burgeroorlog, die tussen 1861 en 1865 aan 620.000 mensen het leven kostte en bijna een einde maakte aan het democratische experiment.
Tumultueuze politiek
Maar is die verontrustende parallel inderdaad de meest geschikte analogie om het huidige tijdvak te begrijpen? Jon Grinspan, een Amerikaanse historicus, denkt van niet. De VS van vandaag, zo stelt hij in zijn recent verschenen boek The Age of Acrimony, lijken eigenlijk meer op de Gilded Age, de periode tussen 1876 en 1910, toen industrialisering en economische groei gepaard ging met toenemende sociale ongelijkheid, dan op de decennia voorafgaand aan de Burgeroorlog. Net zoals vandaag de dag was de Amerikaanse politiek in de Gilded Age behoorlijk tumultueus. Republikeinen en Democraten kwamen afwisselend aan de macht, met vaak flinterdunne marges. Tweemaal behaalde een kandidaat de meeste kiesmannen, en dus de verkiezingswinst, zónder dat hij daadwerkelijk de meeste stemmen had gekregen.
Geweld bij verkiezingen was in deze periode schering en inslag: er werden liefst drie aanslagen gepleegd op zittende presidenten en presidentskandidaten. Twee van hen, James Garfield en William McKinley, overleefden het niet. Daarnaast werden minderheden, zoals zwarte Amerikanen, vaak via intimidatie verhinderd om hun stemrecht uit te oefenen.
Net zoals nu tierde desinformatie in deze periode welig. Kranten, het massamedium van toen, deden geen enkele poging om objectief nieuws te brengen, maar fungeerden als partijdige spreekbuizen voor de Democraten of Republikeinen, van wie ze ook financieel afhankelijk waren. Kiezers hadden dan ook weinig houvast om de vele politieke schandalen op inhoud te beoordelen.
Buitenechtelijk kind
Tijdens de verkiezingen van 1884 werd de Democratische presidentskandidaat, Grover Cleveland, er (waarschijnlijk terecht) van beschuldigd een vrouw te hebben aangerand, en zo een buitenechtelijk kind te hebben verwerkt. Toch won hij de verkiezingen, onder andere doordat de Democratisch gezinde pers deze aantijging pareerde door Clevelands Republikeinse tegenstander, James Blaine, te beschuldigen van corruptie. Ook in andere opzichten doet Cleveland trouwens denken aan Trump: Cleveland was ook de eerste – en tot enkele dagen geleden de enige – Amerikaanse president die twee niet-opeenvolgende termijnen had, in 1885-1889 en 1893-1897.
Daar houden de overeenkomsten niet op. Ook in de Gilded Age was er toenemende economische ongelijkheid, en ook toen bleken Amerikaanse politici onmachtig daar iets aan te doen. Terwijl in Europa in de laatste decennia van de negentiende eeuw de eerste socialistische partijen werden opgericht, gaven Amerikaanse volksvertegenwoordigers minderheden de schuld van de ellendige omstandigheden waarmee veel arbeiders te kampen hadden. Vooral Chinese migranten werden kop van jut. In 1882 werd immigratie vanuit China verboden, via een wet die pas na de Tweede Wereldoorlog werd afgeschaft.
Logischerwijs waren ook in de Gilded Age veel mensen ervan overtuigd dat de Amerikaanse democratie terminaal ziek was. Vanaf de jaren 1870 begonnen steeds meer Amerikanen te twijfelen of democratie wel werkbaar was. Volgens de historicus Francis Parkman (1823-1893) was democratie een vorm van oplichterij, een „transfer van macht van superieure naar inferieure mensen”. Maar ook gewone Amerikanen toonden zich ontevreden over hun vertegenwoordigers: in politieke cartoons werden politici vanaf de jaren 1870 steeds vaker afgebeeld als idioten of monsters, terwijl ze voor de Burgeroorlog veelal als gewone mensen werden voorgesteld.
Lees ook
‘Alleen een revolutie kan de Verenigde Staten nog redden’
Vernieuwde democratie
Kortom, de Gilded Age was, zoals Grinspan het stelt, een „age of acrimony” – een tijdperk van wrok. Maar Grinspans verhaal eindigt positief. Uiteindelijk lukte het Amerikanen om hun democratie te repareren. Er ontstond een hervormingsbeweging, die de democratie effectiever en inclusiever maakte door de invoering van de geheime stemming (stemmen in een stemhokje), referenda, en het vrouwenstemrecht. Ook werd de bureaucratie hervormd en werden journalisten onafhankelijker en objectiever. Uiteindelijk maakte die vernieuwde democratie een begin met het opbouwen van de welvaartsstaat, en werden veel – maar zeker niet alle – van de problemen die de Gilded Age kenmerkten opgelost.
In deze donkere dagen biedt Grinspans boek een sprankje hoop. Misschien kijken we over enkele decennia, aangekomen in kalmer vaarwater, meewarig terug op deze tumultueuze periode, net zoals men dat in de VS in de jaren dertig deed met de Gilded Age. The Age of Acrimony wordt momenteel niet voor niets gelezen door veel Amerikaanse politici.
Anderzijds is het wel zo dat de VS op dit moment een wereldmacht zijn, terwijl het land tijdens de Gilded Age slechts een kleine rol speelde op het wereldtoneel. Het geklungel van de Amerikanen nu kan dan ook potentieel veel meer schade aanrichten dan rond 1900, zelfs als ze er uiteindelijk in slagen om hun krakende en piepende democratie te hervormen.
Het was een aardig bord dat Donald Trump woensdag deze week omhooghield toen hij een drastische verhoging van Amerikaanse invoerheffingen bekend maakte. Maar de cijfers die erop stonden sloegen nergens op. Economen hoefden zich maar kort het hoofd te breken over de vraag waar de importheffingen die de Amerikaanse president bekendmaakte vandaan kwamen. Het bleek al snel een ruwe, amateuristische calculatie te zijn die, op basis van het handelsoverschot van elk land met de VS, moest aantonen welke heffingen en beperkingen er kennelijk werden losgelaten op in te voeren Amerikaanse goederen. En dáár stonden nu, op het bord, ‘wederkerige’ cijfers, door te voeren door de VS, tegenover.
Het resultaat: torenhoge heffingen voor goederen uit China van 34 procent, bovenop wat al van kracht was, Vietnam (46 procent), Thailand (36 procent), de EU (20 procent) of Japan (24 procent). Rusland werd niet genoemd. Wél een goeddeels onbewoonde eilandengroep bij Australië waar zich vooral pinguïns ophouden.
De gang van zaken zou lachwekkend zijn, als er niet zulke forse consequenties waren: duurdere goederen zorgen voor hoge inflatie, met name in de VS. Als andere landen met eigen heffingen terugslaan, verhogen ze ook de invoerprijzen in eigen gebied. De economie zal onder de maatregelen leiden, de rente wordt hoger dan voorzien en een wereldwijde recessie is niet langer ondenkbaar.
Amerikaanse aandelen verloren donderdag in totaal 5,1 procent aan waarde. Dat staat gelijk aan 2.800 miljard dollar, of ruim 2.500 miljard euro – zo’n anderhalf maal het Nederlandse pensioenvermogen. Ook in de rest van de wereld waren de verliezen omvangrijk. Op vrijdag bleven de beurzen in mineur. Niet alleen techbedrijven zakken weg. Ook, en gevaarlijker, de banken en verzekeraars.
Niets blijkt daadwerkelijk te zijn onderzocht door de regering-Trump. De meest gangbare diagnose voor het Amerikaanse handelstekort – het land geeft meer uit dan het spaart – is terzijde geschoven ten faveure van een bedacht slachtofferschap van vals spel door het buitenland. Ruimte voor snelle onderhandelingen is er nauwelijks: op deze schaal hebben de Amerikaanse autoriteiten daar simpelweg de capaciteit niet voor. Tenzij de maatregelen, wederom zonder oog voor detail, weer even makkelijk worden ingetrokken als ze zijn doorgevoerd.
Wat rest is de indruk van een bijna kwaadaardige lichtzinnigheid waarmee de VS onder Trump in luttele maanden de internationale economische orde afbreken die zij zelf na de Tweede Wereldoorlog hebben geschapen. De roekeloosheid betreft ook de internationale politieke en militai+ verhoudingen. En binnenlands is de sloop van de rechtsorde in Amerika ook in volle gang.
Wat moet, en kan, het antwoord van de rest van de wereld daarop zijn? Een afweging maken tussen incasseren, terugslaan en het zoeken naar alternatieven. Negeren zou economisch gezien de verstandigste oplossing zijn. Volgens veel economen zullen landen die erin slagen hun handel buiten de VS om in stand houden, het best af zijn.
Dat alles blijkt voor veel getroffen landen te veel gevraagd. Vrijdag kondigde China aan de Amerikaanse strafheffing van 34 procent te beantwoorden met exact datzelfde tarief voor Amerikaans producten. Canada deed donderdag hetzelfde: Amerikaanse importen worden met 25 procent extra belast. Europa en veel andere landen beraden zich nog op tegenmaatregelen. Economisch misschien niet de verstandigste route, vanuit een onderhandelingsperspectief wel te begrijpen.
Helemaal negeren is daarbij ook onmogelijk: sinds de Tweede Wereldoorlog zijn de VS, en dan met name hun munt, de dollar, het epicentrum van de wereld geworden. Maar het had ook risico’s: de Amerikaanse mondiale dominantie – die via de dollar ook diplomatiek en militair werd – werd te gemakzuchtig als vanzelfsprekend en zelfs gewenst beschouwd. Dat lijkt een misvatting. De wereld heeft te lang geleund op het idee dat de VS zich te allen tijde een betrouwbare partner zouden tonen. Waarschuwingen dat het mondiale betalingsverkeer te zeer afhankelijk was van de VS zijn genegeerd, zoals ook nu de mondiale afhankelijkheid van Amerikaanse tech-bedrijven (van Meta tot Microsoft) tegenacties nauwelijks mogelijk maakt.
Het is een harde les die Trump met zijn egopolitiek nu afdwingt, maar wellicht een die op langere termijn een evenwichtiger wereld oplevert. Te veel macht in handen van één partij is altijd verkeerd. De politieke situatie binnen de VS laat dat dagelijks zien, maar het geldt evengoed voor de rol die de VS in de wereld hebben gespeeld. Een vriend kan altijd een vijand worden. De prijs die nu voor deze naïviteit betaald wordt is hoog.
Opeens zit het bedrijfsleven vol bekeerlingen. Oliebedrijven die hun investeringen in hernieuwbare energie verminderen. Banken die uit klimaatallianties stappen. Grote bedrijven als McDonald’s, Google en Accenture die hun diversiteitsbeleid aanpassen of afschaffen. Bedrijven die de woorden diversiteit, gelijkheid en inclusie uit hun jaarverslagen schrappen. Zo plechtig als ze zich de afgelopen jaren groen en diversiteitsbewust toonden, zo snel verlaten ze die beloftes nu.
Die ‘anti-woke’-beweging begon in de VS al voor de verkiezing van Trump. Maar door Trump veranderen veel meer Amerikaanse bedrijven hun ambities. Inmiddels raakt het ook bedrijven in Europa. De Amerikaanse ambassade in Den Haag heeft zijn Nederlandse leveranciers gevraagd te verklaren dat „hun diversiteitsbeleid in lijn is met het ‘anti-diversiteitsdecreet’ van Trump”, meldtHet Financieele Dagblad. Ambassades in andere landen verstuurden eenzelfde brief.
De afgelopen maanden kwam vaak de vraag in mij op: hebben bedrijven die terugkrabbelen dan geen ruggegraat? Of waren ‘klimaatvriendelijker opereren’ en ‘inclusiever personeelsbeleid’ altijd al weinig meer dan mooie praatjes?
Niet allemaal greenwashers
Zo simpel is het niet, zeggen drie deskundigen die ik sprak. Hoogleraar Mijntje Lückerath is gespecialiseerd in goed ondernemingsbestuur. Ze schreef het boek Morele dilemma’s in de boardroom. Hoogleraar Harry Garretsen doet met Janka Stoker onderzoek naar leiderschap. Vino Timmerman was advocaat-generaal bij de Hoge Raad, gespecialiseerd in ondernemingsrecht.
Alle drie denken ze dat er een daadwerkelijke verandering bij bedrijven is ingezet die ook door Trump niet zomaar te stoppen is. De groep bedrijven die klimaatvriendelijker wil worden groeit, net als de groep die een diverser personeelsbestand wil. Uit overtuiging én vanuit zakelijk belang. Bedrijven staan te springen om personeel en er valt geld te verdienen aan de omslag naar een klimaatvriendelijker economie.
Garretsen: „Bedrijven zullen niet allemaal rainbowwashers en greenwashers blijken te zijn. De groep die het wel meent, is gegroeid.” Bij bonussen voor topmanagers spelen vaker klimaat en sociale doelen een rol, blijkt uit onderzoek van KPMG. „Dan verandert er echt iets.”
Timmerman: „Het is voor bedrijven heel onverstandig om tegen maatschappelijke trends in te gaan. Misschien doen bedrijven nu een stapje terug, maar ik kan me niet voorstellen dat de emancipatiebeweging van vrouwen, mensen van kleur en mensen met een andere seksuele geaardheid niet doorzet. Voor sommige bedrijven is het heel aanlokkelijk om nu veel geld te verdienen aan de fossiele economie, maar op lange termijn graven ze hun eigen graf.”
Wel zullen veel bedrijven zich minder uitlaten over hun ambities. Sommige Amerikaanse bedrijven geven daadwerkelijk minder geld uit aan het promoten van diversiteit, blijkt uit onderzoek van de Financial Times. Andere bedrijven veranderen louter de woorden in hun jaarverslag. In plaats van ‘te streven naar diversiteit’ willen ze een plek zijn waar iedereen floreert.
Timmerman: „Ik denk dat het verstandig is niet te veel lawaai te maken. Mij valt op dat supermarktconcern Ahold zonder veel ruchtbaarheid meer vegetarische producten aan het assortiment toevoegt. Dat roept minder weerstand op dan uitgesproken groene ceo’s als voormalig Unilever-topman Paul Polman. Die kreeg te maken met verzet van aandeelhouders. Maar ook van actiegroepen die betwijfelden of Unilever zo groen was.”
Sausje van juiste woorden gaat eraf
De brief van de Amerikaanse ambassade gaat veel te ver, vinden de drie. Timmerman: „De VS gaan zich nu met de interne gang van zaken bij bedrijven in andere landen bemoeien. Dat kan niet.” Bedrijven die in de VS én Europa zakendoen, zitten klem. Tussen Europese eisen om klimaatvriendelijker te worden en meer vrouwen in de top te benoemen en Amerikaans beleid dat zich daartegen verzet. Lückerath: „Het Amerikaanse model was altijd al meer op aandeelhouders gericht. Maar we bewogen wel dezelfde kant op. Nu is de richting tegengesteld. Niet meebewegen in de VS kan bedrijven overheidsopdrachten kosten of juridische claims opleveren.”
Er wordt volgens Lückerath te makkelijk over besluiten van bedrijven gezegd: waar was het morele kompas? „Hét morele kompas bestaat niet. Als je moet kiezen tussen je diversiteitsbeleid in woord wat afzwakken en een grote overheidsopdracht, is dat meer dan een keuze tussen principes en geld. Als er veel banen verloren dreigen te gaan, is dat ook een moreel dilemma.”
De afgelopen jaren konden bedrijven naar buiten toe maar één ding beweren
Er zijn al verschuivingen te zien van tientallen miljarden euro’s door Amerikaanse en Europese pensioenfondsen die juist niet of juist wél met oog voor klimaatverandering willen beleggen. Garretsen: „De afgelopen jaren konden bedrijven naar buiten toe maar één ding beweren: uiteraard zijn we duurzaam en divers. Nu wordt het sausje van de juiste woorden eraf geschraapt. En gaat blijken of bedrijven ruggegraat hebben. Vergis je niet: bedrijven die hun waarden laten vallen, zijn voor veel klanten en potentiële werknemers niet aantrekkelijk.”
In zijn oratie in 2020 schetste Timmerman hoe in Nederland het tijdperk van ‘de politieke onderneming’ was aangebroken waarin bedrijven maatschappelijke taken krijgen als het bevorderen van diversiteit en duurzaamheid. Maar wat als die maatschappelijke taken na verkiezingen plots sterk veranderen zoals in de VS? Krijgen we dan de windvaanonderneming? Timmerman: „In deze wereld is het ontzettend moeilijk om evenwichtig beleid te voeren. Kijk naar wapens. Daar wilden pensioenfondsen de afgelopen jaren minder in investeren, nu juist weer meer.”
Ik vermoed dat veel bedrijven minder uitgesproken worden. En we moeilijker kunnen beoordelen of bedrijven doorgaan met diverser en groener worden. Of dat dat altijd al een oppervlakkig laagje lak was.
‘De haat is terug.” Julia Ebner constateert het schijnbaar onaangedaan. De aanwezigheid van de grote Tech-bazen bij de inauguratie van Donald Trump, zegt de expert op het gebied van online radicalisering en desinformatie, had meteen effect. „We zagen hoe veel van de extremisten die eerder van de platforms waren gegooid terugkeerden, zelfs de grootste haatzaaiers. Ze waren na hun verbanning uitgeweken naar kleinere, alternatieve platforms. Die bestaan nog steeds, maar op de grote platforms zien we nu een massale toename van haat tegen minderheden, de lhbt-gemeenschap en Joodse organisaties.”
Een ander effect is volgens haar dat steeds meer mensen aarzelen om zich uit te spreken, omdat ze bang zijn doelwit te worden van georkestreerde online haatcampagnes. „Dat de Tech-bazen dit laten gebeuren uit naam van de vrijheid van meningsuiting, is volkomen inconsequent. We zijn juist voortdurend getuige van pogingen mensen het zwijgen op te leggen. Het is voor onderzoekers een stuk moeilijker geworden om uitingen op sociale media in kaart te brengen, omdat meteen gedreigd wordt met kostbare rechtszaken.”
De van oorsprong Oostenrijkse Julia Ebner (Wenen, 1991) is als onderzoeker werkzaam bij het Institute for Strategic Dialogue in Londen, waar ik haar spreek op een zonnige lentedag. Aan de Universiteit van Oxford analyseert ze de psychologie van radicalisering, „in het bijzonder de gevallen waarbij dat tot geweld leidt”.
Bij een breder publiek is ze bekend als schrijver van twee bestsellers, Going Dark (2019) en Going Mainstream (2023), waarin ze beschrijft hoe ze undercover infiltreerde in verschillende extremistische groeperingen. Lijkt de brede discussie over online-radicalisering pas goed losgekomen door het recente succes van het Netflix-drama Adolescence, over een tiener die door online indoctrinatie tot geweld overgaat, Ebner ontwikkelde al veel eerder een scherp oog voor de valstrikken van de digitale onderwereld. Voor haar onderzoek deed Ebner zich voor als geestverwant van neonazi’s, jihad-bruiden, incels, QAnon-aanhangers, anti-feministen, tradwives, antivaxxers, klimaatontkenners, transfoben, Russische propagandisten. Daardoor drong ze al vroeg door in afgesloten netwerken die voor een algemeen publiek lang schimmig en vaak ook onbegrijpelijk, bleven.
Wat bewoog u, om zich als twintiger tussen de extremisten te begeven?
„Dat ging geleidelijk. Ik volgde online al hun activiteiten. Gaandeweg kreeg ik het gevoel dat ik aan de oppervlakte bleef, niet echt begreep hoe die massale aanvallen op mensen die ze als de vijand zagen, overwegend journalisten en politici, in zijn werk gingen. In 2016 werd ik zelf doelwit, nadat de radicaal-rechtse activist Tommy Robinson met een draaiende camera op mijn werk verscheen om wraak te nemen voor een stuk van mij over hem. Dit leidde tot een haatcampagne van zijn volgers, met onder meer doodsbedreigingen en bedreiging met seksueel geweld. Mijn werkgever weigerde mijn kant te kiezen, uiteindelijk kostte het me mijn baan. Ik wilde te weten komen hoe zulke acties georganiseerd werden, wat de strategieën erachter waren. Maar ik wilde vooral ook weten wat de mensen bewoog die erbij betrokken raakten.”
Afgezien van hun hatelijke overtuigingen waren het mensen met wie ik in andere omstandigheden bevriend zou kunnen raken
Wat viel u het meest op?
„Dat ze volkomen normaal leken. Of ik nu een bijeenkomst van zogenaamde Identitairen hier in Londen bijwoonde, of een neonazi-festival in Duitsland, de meeste mensen die ik tegenkwam leken totaal niet op wat je je gewoonlijk bij een rechtsextremist voorstelt. Afgezien van hun diepgevoelde hatelijke overtuigingen, waren het mensen met wie ik in andere omstandigheden bevriend zou kunnen raken. Wat me schokte was hoeveel geradicaliseerde jongeren ik tegenkwam, veel van hen nog geen achttien. Dat zijn er de afgelopen jaren alleen maar meer geworden, geven de cijfers aan.”
Bent u erachter gekomen wat hen bewoog?
„De meesten zochten een thuis, wilden ergens bijhoren. Ze bevonden zich in een identiteitscrisis, waren op zoek naar gelijkgestemden. Vooral jongeren zijn gevoelig voor radicalisering, weten we, maar ik trof genoeg mensen die zich in een midlife-crisis bevonden. Ik kwam mensen tegen uit verschillende sociale lagen van de maatschappij. Wat ze gemeen hadden, was dat ze de wereld zoals die zich aan hen voordeed radicaal in twijfel trokken en ook de rol die ze daarin te spelen hadden. Sommigen van hen hadden ook geestelijke gezondheidsproblemen, en dan vooral degenen die uiteindelijk verder radicaliseerden naar geweldpleging.”
Aanvankelijk was er weinig aandacht voor de dreiging van extreemrechste radicalisering.
„Tijdens mijn digitale omzwervingen, zo’n tien jaar geleden, vielen me de razendsnelle veranderingen op. Enkele extremistische groeperingen bleken enorm bedreven in het mobiliseren van hun aanhang. Zij waren er als eersten bij de nieuwe technologieën naar hun hand te zetten. Ze ontwikkelden opvallend geraffineerde sociale mediacampagnes, waarmee ze veel mensen, en dan vooral jongeren, manipuleerden en lieten radicaliseren. Dat werd niet opgepikt door de traditionele media, het was echt een blinde vlek.
„Toen ik begon met mijn onderzoek beleefde [terreurbeweging] IS zijn hoogtepunt, daar ging de meeste aandacht naartoe. Dat bleef zo, ook toen IS zijn gebied kwijt was, het aantal aanslagen terugliep en de radicaliseringscijfers afnamen. Maar ik merkte dat er een enorme reactie van extreemrechts volgde, die inspeelde op de angsten voor islamitisch extremisme. Dat bracht mij ertoe mijn aandacht te verleggen.
„Extreemrechtse groeperingen werden door beleidsmakers die ik sprak niet erg serieus genomen, domweg omdat ze zichzélf niet heel serieus leken te nemen, met hun gebruik van memes, populaire cultuur en ironische humor. Dat was tactiek natuurlijk, een manier om jongeren te bereiken. Maar men wist aanvankelijk gewoon niet hoe dit fenomeen ingeschat moest worden. Die houding veranderde na de aanslagen op twee moskeeën in Christchurch, Nieuw-Zeeland, voorjaar 2019, die door de dader live gestreamd werden, in diezelfde geest van games en grapjes. Daarna werd ik ineens uitgenodigd door overheden. Ze beseften dat de scheidslijn tussen trollen en terrorisme vaag was geworden. Veel aanslagen sindsdien volgden hetzelfde game-achtige patroon.”
In Going Mainstream laat u zien hoe veel van de radicale bewegingen en groeperingen vanuit de marge naar het centrum van samenleving en politiek zijn opgeschoven. Hoe heeft dat kunnen gebeuren?
„Natuurlijk spelen versnelde globalisering en digitalisering een belangrijke rol in dat proces. Mensen krijgen het gevoel dat ze het slachtoffer zijn van die ontwikkelingen, achterop zijn geraakt, niet gehoord worden. Dat raakt aan hun gevoel van eigenwaarde, van identiteit. Ze gaan op zoek naar een nieuwe plek voor zichzelf in die snel veranderde wereld. Daarbij kwam de ene crisis na de andere. Eerst had je de vluchtelingencrisis, die veel losmaakte in verschillende landen, in het bijzonder Duitsland. Daarop volgde de pandemie. Daarna de hoge inflatie die het leven duurder maakte. Tegelijk kwam de bestaande wereldorde gevaarlijk onder druk te staan door de Russische invasie van Oekraïne en het Gaza-conflict. Dat alles veroorzaakt een algemeen gevoel van onveiligheid, onzekerheid en ook frustratie. Extremistische groeperingen en landen als Rusland exploiteren die emoties gretig.’’
Tijdens de pandemie kreeg online-extremisme een enorme boost.
„Door nieuwe technologie kunnen crisisgevoelens enorm snel worden verspreid en versterkt. Studies laten ook zien dat als mensen een gevoel van crisis ervaren, ze minder goed in staat zijn om te gaan met complexe situaties, wat extremistische organisaties helpt hun om zwart-witbeeld van de wereld te verspreiden, het wij tegen zij.
„Van oudsher is er een toename van samenzweringstheorieën en haat tegen minderheden in tijden van maatschappelijke onrust. Maar wat we nu zien is van een heel andere orde, omdat op de sociale-mediaplatforms de meest radicale uitingen en de ongeloofwaardigste, apocalyptische en ronduit krankjorume content de meeste aandacht genereren. Die worden dus algoritmisch gestimuleerd.”
Veel mensen vervangen vrijwel hun gehele sociale omgeving door online-gemeenschappen, dat is echt zorgelijk
Een effect van radicalisering, schrijft u, is de zogenaamde identity fusion, waarbij mensen volledig één worden met de groep waaraan ze zich gecommitteerd hebben. Is dat ook een wijdverspreid verschijnsel aan het worden?
„Dat is waar ik me in Oxford mee bezighoud. Als mensen radicaliseren, zie je dat hun persoonlijke identiteit voor een groot deel gelijk wordt aan hun groepsidentiteit. Men voelt zich verbonden met de eigen groep als in een familie, maar die sterke emotionele band met de eigen groep gaat gepaard met haat jegens andere groepen. Of men ziet die als een existentiële bedreiging. Traditioneel zie je dat het duidelijkst tijdens oorlogen. Maar doordat mensen nu zoveel tijd online doorbrengen ontstaat de neiging geestverwanten steeds meer als een soort vervangende familie te zien. Je persoonlijke situatie of gevoel van frustratie wordt gekanaliseerd naar een krachtige band met lotgenoten. Veel mensen vervangen vrijwel hun gehele sociale omgeving door online-gemeenschappen, dat is echt heel zorgelijk.”
Veel van de woede en frustratie in die gemeenschappen richt zich tegen minderheden, maar vooral ook tegen elites die hun progressieve ideeën aan burgers zouden willen opleggen.
„Donald Trump is er bij de laatste Amerikaanse presidentsverkiezingen in geslaagd verschillende groepen aan zich te binden die eerder buiten zijn bereik lagen. Door in zee te gaan met Elon Musk en ook met iemand als JD Vance bedient hij allerlei soorten mensen die ontevreden zijn met de status quo en radicale verandering eisen. Zijn kiezers wisten ook heel goed dat zijn radicale beloften geen loze praat waren; het is ook wat men van hem verlangt. Nu zie je hoe hij allerlei instituten van de rechtsstaat ondermijnt of sloopt. De manier waarop veel mensen in hem geloven heeft zeker ook sekteachtige aspecten, ze zien hem als de oplossing voor alle problemen. Je zag die religieuze bevlogenheid al bij de door Trump aangewakkerde bestorming van het Capitool.’’
Veel van de extremistische groepen waarin u bent doorgedrongen delen eenzelfde quasi-religieus narratief: we leven in een wereld die bestaat uit leugens, de waarheid wordt ons door de machthebbers onthouden, wij moeten zelf het heft in handen nemen. Het grote ontwaken zal ons bevrijden.
„Ja, dat begrip kom je vaak tegen. Er worden diepe verlangens aangesproken en de behoefte aan religiositeit en gemeenschap wordt door radicalen uitgebuit. Tegelijk zijn hun redeneringen vaak volkomen tegenstrijdig. Ze zeggen op te komen voor vrijheid en democratie terwijl ze de democratische instituties keihard aanvallen. Hetzelfde geldt voor hun gedweep met vrijheid van meningsuiting, terwijl ze voortdurend bezig zijn anderen te intimideren en het zwijgen op te leggen. Alles wordt verdraaid.
„Charismatische leiders als Trump en extremistische voormannen die ik heb ontmoet zijn uiterst bedreven in het herscheppen van de werkelijkheid, zodat die zich voegt naar jouw wereldbeeld. Als je eenmaal in dat systeem zit, lijkt zelfs de meest krankzinnige samenzweringstheorie logisch. Toen ik me voor het eerst in die kringen begaf, zeiden mensen tegen me, dit soort extremisme gaat nooit veel mensen overtuigen, het is domweg te absurd. Maar inmiddels zijn er miljoenen mensen die de idiote complottheorieën van QAnon en verwante stromingen hebben omarmd, onder wie de huidige Amerikaanse minister van Volksgezondheid Robert F. Kennedy Jr. en anderen in Trumps regering.”
Veel progressieve stemmen bedienen zich van een werkwijze die achterhaald is. Men heeft zich onvoldoende nieuwe technologieën eigen gemaakt
Was het zelfgenoegzaam om te denken dat dit soort extremisme vanzelf zou verdwijnen? Domweg omdat men de aantrekkingskracht ervan niet begreep?
„Ik denk dat we onderschat hebben in hoeverre veel van onze zogenaamde zekerheden op zand gebouwd zijn. Dat geldt zowel voor de vooruitgang die we hebben geboekt op het gebied van de mensenrechten, vrouwenrechten en rechten voor minderheden, als voor de pijlers waarop onze democratie rust. We hebben echt te lang gedacht dat het allemaal vanzelf sprak. Veel progressieve stemmen bedienen zich van een werkwijze die achterhaald is, men heeft zich onvoldoende nieuwe technologieën eigen gemaakt. Ook is men veel minder bedreven in het contact maken met en het aanspreken van een breed publiek dan radicaalrechts. Ironisch genoeg heeft radicaal rechts zich de tactieken van de burgerrechtenbeweging van de jaren zestig en zeventig eigengemaakt. In de radicale kringen die ik bezocht werden die beproefde tactieken om mensen te bereiken en te overtuigen uitgebreid besproken. Alleen dit keer om te vernietigen waar die bewegingen voor gestreden hadden. Wat natuurlijk ook meespeelt, is dat brave verdedigers van de status quo nu eenmaal weinig hartstocht losmaken.”
In Going Mainstream doet u een aantal aanbevelingen om online radicalisering tegen te gaan. Een ervan is regulering door de grote Tech-bedrijven zelf. Die hoop lijkt vervlogen.
„Ik had niet voorzien hoe snel de grote Tech-bedrijven zouden meebuigen. Waar Elon Musk ideologisch staat wisten we, maar bij de anderen is sprake van een ommezwaai. Maar laten we eerlijk zijn, het is nooit in hun belang geweest radicale content te verwijderen, want juist dat houdt onze aandacht vast. Kijk hoe YouTube mensen met steeds extremistischer clips verleidt om in het konijnenhol te verdwijnen. Nu in de zogenaamde cultuuroorlogen de radicaal-rechtse kant aan de winnende hand is, kiest men gewoon eieren voor zijn geld. Men schaart zich aan de kant van Trump en de zijnen, die een extreem sociaal conservatisme combineren met een extreem soort economisch libertarisme. Dat is een nieuwe radicale ideologie. Maar anders dan bij zijn eerste verkiezing, heeft Trump nu wel degelijk een uitgewerkt plan, en hij is vastbesloten het uit te voeren. Zijn ontmanteling van instellingen past helemaal in het draaiboek van Poetin, Orbán en anderen. Dat is uitermate zorgwekkend.”