Het Zomercarnaval in Rotterdam is een fenomeen. Tijdens de straatparade op zaterdag zullen ruim 2.500 dansers en danseressen in kleurige glitterkostuums op en achter tientallen praalwagens door de binnenstad trekken. Of beter gezegd: dansen. Voorop de carnavalskoningin en koning Larisa Da Veiga en Gillian Jersun Gil.
De grootste Caribbean street party van Nederland, zoals de organisatie het noemt, is een viering van de Afro-Caribische cultuur. Het feest begint met de Battle of the Drums op vrijdagmiddag in Rotterdam Ahoy, waarbij bekende brassbands het tegen elkaar opnemen. Op vrijdag- en zaterdagavond, na de straatparade, zijn er feesten op allerlei plekken in de stad zoals poppodium Annabel en nachtclub Sahara. In de Kunsthal Rotterdam opent vrijdag een tentoonstelling over veertig jaar Zomercarnaval.
Danseressen bij de eerste Zomercarnaval in 1984.De stoet van de parade in 1986 eindigde op de Rotterdamse Coolsingel.Een deelneemster van de Zomercarnaval parade in 1992. Zomercarnaval 1987 Bezoekers in 1999.
Foto’s: Rob Croes/Anefo, Ton Schutz/Anefo, Ruud Hoff/ANP, Peter Martens/Nederlands Fotomuseum, Peter Hilz/ANP
De stad kan, afhankelijk van het weer, meer dan honderdduizend bezoekers verwachten voor deze jubileumeditie, die swingend of op klapstoeltjes met een koelbox het feest langs de route zullen meevieren. Het Zomercarnaval staat sinds vorig jaar op de Unesco-lijst van immaterieel erfgoed, een traditie die het waard is om doorgegeven te worden aan nieuwe generaties
Een traditie die niet geheel onomstreden is; de afgelopen jaren waren er verschillende gewelds- en schietincidenten. Vorig jaar werd er twee keer geschoten op de Coolsingel – eenmaal loste de politie waarschuwingsschoten. Het feest werd afgelast en de bezoekers naar huis gestuurd. Daarna was het de vraag of het Zomercarnaval wel op de oude manier gevierd kon worden. „Ieder jaar slaat het Zomercarnaval om in oorlogsgebied”, stelde Leefbaar Rotterdam, de grootste partij in de raad.
Deelnemers tijdens de Zomercarnaval Straatparade in 2019. Leden van de drumband TOK Brass uit Dronten passeren de Erasmusbrug onderweg naar de Coolsingel in 2007. Drie jongens wachten vermoeid op de start van het parade in 2003.Deelnemers van de Zomercarnaval parade in 2001.2007: Op verscheidene plekken in de stad, waaronder de Coolsingel, vinden swingende optredens plaats.
Foto’s: Ruud Hoff/ANP, Robert Vos/ANP, Ronald van den Heerik/ANP, Pieter Franken/ANP, Arenda Oomen/ANP
Er werd flink gesnoeid in de festiviteiten: de Battle of the Drums mocht niet meer op straat plaatsvinden en de afterparty’s moesten bínnen worden gevierd, zodat de bezoekers beter gecheckt kunnen worden. Ook het grote eindfeest op de Coolsingel met een podiumprogramma mocht niet doorgaan.
Daarnaast was er vorig jaar discussie over de manier waarop sommige deelnemers dansen. Die zou soms vulgair of provocatief zijn en daardoor niet passen bij een familieuitstapje waar ook veel kinderen bij meekomen. Specifiek werd ‘bubbling’ genoemd, een dansstijl waarbij de heupen op een manier bewegen die aan seks zou kunnen doen denken en dansers soms met de onderlichamen tegen elkaar aanschuren. Er kwam veel kritiek op het verbod. Een dansstijl verbieden die hoort bij de Caribische cultuur, werd denigrerend, koloniaal en racistisch genoemd. Hoe het ook zij, de veertigste editie is enigszins ingekrompen om het feest veilig te houden, maar het bubblingverbod is eraf.
Het evenement werd in 2015 afgelast vanwege de zware storm.Het voorgestelde dansverbod in 2023 op ‘vulgaire of aanstootgevende uitingen’ riep reacties van boosheid en onbegrip op.Zomercarnaval 2016 trekt door de Witte de Withstraat van Rotterdam. Een kleurrijke stoet van dansers, danseressen, muzikanten en praalwagens loopt langs het Boijmans Depot.Tijdens de parade worden traditiegetrouw de gekozen koningin – en sinds 2022 – koning gepresenteerd.De Battle of the Drums op het Weena in 2019.
Foto’s: Bart Maat/ANP, Walter Herfst, Frank de Roo/ANP Ramon van Flymen/ANP, MediaTV/ANP
Op 13 januari brak er een grote ijsschots (A84) af van de George VI ijsplaat, die aan de zijkant ligt van het schiereiland dat richting het noorden naar het puntje van Zuid-Amerika reikt. De onderzoekers van de Falkor, die toevallig in de buurt waren voor ander onderzoek, volgden hun nieuwsgierigheid. Op 25 januari bereikten ze de plek waar kort daarvoor nog een honderdvijftig meter dik pak ijs had gelegen.
Met een robotonderzeeër, de SuBastian, zochten ze acht dagen lang de ongerepte zeebodem af naar bijzonderheden.
Op jonge leeftijd verhuisde Xiaoxiao Xu (40) binnen China naar een andere stad met een nieuw dialect. Zeven jaar later reisde ze haar moeder achterna naar Nederland, waar ze weer een nieuwe taal moest leren. Xu worstelde er lange tijd mee hoe ze zichzelf moest uiten maar vond een manier in de fotografie. In 2009 studeerde ze af aan de Fotoacademie in Amsterdam, sindsdien werkt ze aan eigen projecten.
Door de verhuizing in China had Xu zich geïsoleerd gevoeld en een toevlucht gezocht in de wereld van Japanse manga. Toen ze in Nederland in 2022 voor de eerste keer een cosplay-conventie bezocht, zag ze, naast figuren uit bijvoorbeeld Star Wars en Breaking Bad, personages uit Japanse anime en manga. „Ik had gelijk een band met de bezoekers. Ik voelde me als een kind in een snoepwinkel”, vertelt ze. Voor haar nieuwe fotoboek This looks better irl: Exploring cosplay cons bezocht Xu in tweeënhalf jaar tijd meer dan dertig cosplay-bijeenkomsten in Nederland, België, Duitsland en het Verenigd Koninkrijk. Ze werd er betoverd, zoals ze het zelf formuleert, door het gemeenschapsgevoel en de creatieve aandacht voor kleding, make-up en accessoires waarmee personages uit films, strips en games tot in detail worden uitgebeeld.
Op sociale media delen cosplayers geregeld het maakproces van hun outfit, waar ze soms maandenlang aan werken. Xu besloot naast eigen foto’s ook hun Instagram-screenshots in haar boek op te nemen.
Online laten deze cosplayers niet alleen hun creaties zien, maar ook hun onzekerheden en kwetsbaarheden, zegt ze. In het voorwoord schrijft ze: „Een groot deel van de cosplaygemeenschap is neurodivergent. […] Op sociale media delen ze hun gevoelens.” Zo vertelt een cosplayer op Instagram dat de therapie voor een angststoornis haar zwaar valt. Een ander geeft aan liever niet spontaan aangesproken te willen worden op een conventie, omdat dat te veel onverwachte prikkels geeft.
Xu: „Ik denk dat veel mensen moeite hebben om hun gevoel te uiten in taal. Met mijn fotoserie wil ik de eigenheid van cosplayers laten zien. Vaak worden ze weggezet als kinderlijk. Ze omarmen juist de vrijheid om zichzelf te zijn.”
Niet voor iedereen is cosplay overigens een toevluchtsoord, zegt ze. „Een groot deel vindt het gewoon leuk om te knutselen en creatief bezig te zijn. Om iets moois aan te trekken en naar een conventie te gaan.”
Vroeger was Willy Kling (73) timmerman en trainde hij de plaatselijke voetbaljeugd. Nu is hij met pensioen en traint hij waterslagers. Dat is een kanarieras dat speciaal voor de zang wordt gefokt, waar dan weer wedstrijden voor worden georganiseerd. Vanzelf gaat dat zingen niet: alleen de mannetjes doen het, en ook die brengen hun krachtige, gevarieerde, als klokkend en borrelend water klinkende lied alleen na een zorgvuldig uitgedacht trainingsregime.
Er is een jaarlijkse cyclus, die rond deze tijd van het jaar begint. De zang van de waterslager is deels erfelijk bepaald, dus de in het Gelderse Wijchen wonende Willy Kling en zijn vrouw (die „voor 200 procent” achter zijn hobby staat) koppelen een melodieus mannetje aan een vrouwtje, een ‘pop’, en dan hopen ze „dat daar weer toppers uitkomen”. Als ze vijf dagen oud zijn krijgen de jonge vogeltjes een voetring met daarop het kweeknummer dat Kling van de bond toebedeeld kreeg en een uniek nummer per dier.
In november, als ze een klein half jaar oud zijn, begint de zangles. In de volière laten de mannetjes zich dan al horen, maar nu gaan Kling en zijn vrouw ze ‘opkooien’, zoals dat heet: vier boven elkaar, elk in een eigen kooitje. Waterslagers beginnen te zingen als het licht wordt, dus hij zet ze in een volledig verduisterde ruimte waar hij met een lamp meerdere keren per dag een zonsopkomst veinst. En dan luisteren. Twaalf verschillende geluiden (‘toeren’) onderscheiden de experts: de klokkende, bollende en rollende waterslag moeten ze in het repertoire hebben, net als bijvoorbeeld het knorren, woeten, bellen en tjokken. Belangrijk is dat de onderste van de vier een brutaal knaapje is, niet bang het voortouw te nemen: waterslagers beginnen doorgaans te zingen zodra ze onder hen een soortgenoot horen.
Kling zit erbij en noteert. „Het mooiste”, zegt hij, „is als ze alle vier hetzelfde lied inzetten, dat het een zuiver in het gehoor liggend geheel is. Als er een met de knor begint en een ander met de klok, dan klinkt het niet.”
Hoe krijg je dat voor elkaar? Lachend: „Ja, dat is het uitzoeken van de liefhebber.” Het samenstellen van goed op elkaar ingespeelde kanarieteams helpt natuurlijk. En voedsel is belangrijk. Kling experimenteert met soorten voer, weegt het op de gram nauwkeurig. Anijszaad, bijvoorbeeld, is wat nootachtig, dat is heel goed voor de keeltjes. „Maar welk voer precies, en in welke hoeveelheden: dat is geheim. Daar ben ik járen mee bezig geweest.” Wat ook helpt is een strak ritme: niet de ene dag voeren om vijf uur en de volgende pas om zes uur. „Een mens moet regelmaat hebben, maar een vogel ook.”
Zo werkt hij toe naar de wedstrijden. Het Nederlands kampioenschap was de afgelopen jaren in Urk. Kling neemt altijd een wedstrijdselectie van 24 waterslagers mee; zes teams van vier, in houten koffers. De bedoeling is dat je ze daar aflevert, je mag er niet bij zijn als de keurmeesters naar het gezang van de deelnemende vogels luisteren en scores toekennen. Wel geeft Kling zijn eigen voer mee, en zelfs zijn eigen water. „Dat is gewoon kraanwater, maar wel van hier. In Wijchen is het water anders dan in Katwijk of Urk. Elke plaats heeft z’n eigen hardheid.” De kleinste verandering van spijs, zo gelooft hij, zou de zang van z’n vogels kunnen aantasten. Zo werd hij al meerdere keren Nederlands kampioen – en zelfs een keer wereldkampioen.
Foto’s Eveline van Elk
Op het laatste NK, afgelopen januari, heeft hij „wel goed gedraaid, laat ik het zo zeggen”. Er zijn meerdere categorieën: een voor het kwartet vogels boven elkaar, een voor duo’s, een voor enkelingen. Hij kwam thuis met respectievelijk de tweede, derde en tweede plaats. Tevreden? „Jah, ik ben ergens wel blij, maar toch, toch.” Bij meerdere andere zangwedstrijden ging hij dit jaar naar huis met de prijs voor ‘meesterzanger’: die is voor de vogel die van alle 250 tot 300 die meededen het mooist zong. Van prijzengeld is overigens geen sprake; Kling en andere deelnemers doen het voor de eer.
Foto Eveline van Elk
De vogels gaan na de wedstrijd weer naar de volière; sowieso zitten ze nooit langer dan twee, drie dagen achtereen in het kleinere kooitje, zegt hij. Na zo’n cyclus gaan ze naar een opkoper, die ze naar onder meer het Midden-Oosten en Vietnam vervoert. „Schijnbaar willen die mensen daar ze in huis hebben.”
Er zijn steeds minder mensen die dit doen, zangkanaries kweken en leren zingen. Met duizenden waren ze in de jaren vijftig, nu is Willy Kling een van de weinigen die er nog elke dag mee bezig is.
Ja, elke dag, benadrukt hij, maar niet de héle dag. „Je kunt wel eindeloos bij die kooien gaan liggen hangen, maar dat vinden die vogels ook niet leuk.”