De haven van Amsterdam is een spiegel van de samenleving: ook hier moet de energietransitie plaatsvinden, maar die gaat trager dan gewenst. De haven heeft grootse plannen om circulair en duurzaam te worden. Tegelijk zie je er de afhankelijkheid van fossiel.
In 2023 daalde de totale overslag in Amsterdam 20 procent ten opzichte van 2022, meldde het havenbedrijf eind april. De overslag van steenkolen halveerde, tot 7,4 miljoen ton. De overslag van olieproducten daalde 16 procent, tot 28,9 miljoen ton.
Marc Anthony werkt als laborant bij Argent Energy, dat biobrandstof maakt van frituurvet en andere dierlijke vetten uit afval. Het Brits-Nederlandse bedrijf produceert nu 250.000 ton biodiesel per jaar.Foto Wouter Zaalberg Port officer Carlos aan dek tijdens een storm. Als schipper en toezichthouder in de Amsterdamse wateren is hij verantwoordelijk voor het vlot, veilig en verantwoord bevaarbaar houden van de haven. Foto Wouter Zaalberg
Tussen oktober 2023 en maart 2024 bracht fotograaf Wouter Zaalberg (1985) de Amsterdamse haven in beeld – de mensen die er werken, de opkomende duurzame bedrijven, de energietransitie. Zaalberg is een van de drie winnaars van de jaarlijkse fotodocumentaireopdracht van het Stadsarchief Amsterdam. Sinds 1972 laat het archief fotografen de stad vastleggen.
Binnenvaartschepen wachten tot ze bij EVOS brandstof kunnen inladen. Het vervoer van benzine, diesel en andere brandstoffen gaat dag en nacht door. EVOS levert ook kerosine aan luchthaven Schiphol via een ondergrondse pijpleiding.Foto Wouter Zaalberg
Rangeerder Bato is verantwoordelijk voor het veilig vervoeren van lading per spoor. Bij het vallen van de avond maakt hij wagons vol bio-ethanol klaar voor vertrek.Foto Wouter Zaalberg Uitzicht op het dek van een olietanker. In Amsterdam doen gemiddeld meer dan 2000 olietankers (2185 om precies te zijn) per jaar de haven aan. Amsterdam was tot voor kort een haven waar op grote schaal restproducten werden vermengd tot brandstoffen die te vervuilend waren voor de Europese markt. Die brandstoffen werden dan verkocht en vervoerd naar plekken met minder strenge milieuwetgeving. Dat is sinds 2023 verboden.Foto Wouter Zaalberg
Medewerkers sorteren plastic in de plasticrecyclingfabriek in de haven. Het recyclingbedrijf werd begin dit jaar failliet verklaard. Het kon naar eigen zeggen niet op tegen de vloedgolf van nieuw plastic dat in China en de VS van goedkope olie wordt gemaakt.Foto Wouter ZaalbergBij afvalverwerker en recyclebedrijf Renewi rijden vrachtwagens vol groente en fruit dat over datum of rot is af en aan. Het organisch afval gaat in vergistingsvaten, waar bacteriën het omzetten in gas. Dat is de eerste stap van het omzetten van afval naar brandstof. Daarna gaat het gas of naar een kleine energiecentrale om er warmte en elektriciteit van te maken, of naar de installatie van het bedrijf Nordsol, dat er bio-lng van maakt.Foto Wouter Zaalberg
Een medewerker van EVOS, een bedrijf dat brandstof overslaat, controleert de tanks op de terminal. In de grootste tanks past zo’n vijftig miljoen liter benzine. De tanks van EVOS zijn geschikt voor biobrandstoffen, maar het bedrijf merkt nog weinig vraag vanuit de markt.Foto Wouter Zaalberg
Met een vloot van zes bunkerschepen voorziet oliehandelaar Anton van Megen schepen in de Amsterdamse haven van brandstof. Hij verwerkt 600.000 à 700.000 liter brandstof per week, waarvan een klein deel, zo’n 10 procent, bestaat uit biobrandstof.Foto Wouter Zaalberg Schipper Wilco is op weg naar IJmuiden, om een lading steenkoolteer op te halen bij Tata Steel. Koolteer is een restproduct van kooks en wordt in de Amsterdamse haven opgeslagen. Het is een grondstof voor onder meer medische producten.Foto Wouter Zaalberg
Op 13 januari brak er een grote ijsschots (A84) af van de George VI ijsplaat, die aan de zijkant ligt van het schiereiland dat richting het noorden naar het puntje van Zuid-Amerika reikt. De onderzoekers van de Falkor, die toevallig in de buurt waren voor ander onderzoek, volgden hun nieuwsgierigheid. Op 25 januari bereikten ze de plek waar kort daarvoor nog een honderdvijftig meter dik pak ijs had gelegen.
Met een robotonderzeeër, de SuBastian, zochten ze acht dagen lang de ongerepte zeebodem af naar bijzonderheden.
Op jonge leeftijd verhuisde Xiaoxiao Xu (40) binnen China naar een andere stad met een nieuw dialect. Zeven jaar later reisde ze haar moeder achterna naar Nederland, waar ze weer een nieuwe taal moest leren. Xu worstelde er lange tijd mee hoe ze zichzelf moest uiten maar vond een manier in de fotografie. In 2009 studeerde ze af aan de Fotoacademie in Amsterdam, sindsdien werkt ze aan eigen projecten.
Door de verhuizing in China had Xu zich geïsoleerd gevoeld en een toevlucht gezocht in de wereld van Japanse manga. Toen ze in Nederland in 2022 voor de eerste keer een cosplay-conventie bezocht, zag ze, naast figuren uit bijvoorbeeld Star Wars en Breaking Bad, personages uit Japanse anime en manga. „Ik had gelijk een band met de bezoekers. Ik voelde me als een kind in een snoepwinkel”, vertelt ze. Voor haar nieuwe fotoboek This looks better irl: Exploring cosplay cons bezocht Xu in tweeënhalf jaar tijd meer dan dertig cosplay-bijeenkomsten in Nederland, België, Duitsland en het Verenigd Koninkrijk. Ze werd er betoverd, zoals ze het zelf formuleert, door het gemeenschapsgevoel en de creatieve aandacht voor kleding, make-up en accessoires waarmee personages uit films, strips en games tot in detail worden uitgebeeld.
Op sociale media delen cosplayers geregeld het maakproces van hun outfit, waar ze soms maandenlang aan werken. Xu besloot naast eigen foto’s ook hun Instagram-screenshots in haar boek op te nemen.
Online laten deze cosplayers niet alleen hun creaties zien, maar ook hun onzekerheden en kwetsbaarheden, zegt ze. In het voorwoord schrijft ze: „Een groot deel van de cosplaygemeenschap is neurodivergent. […] Op sociale media delen ze hun gevoelens.” Zo vertelt een cosplayer op Instagram dat de therapie voor een angststoornis haar zwaar valt. Een ander geeft aan liever niet spontaan aangesproken te willen worden op een conventie, omdat dat te veel onverwachte prikkels geeft.
Xu: „Ik denk dat veel mensen moeite hebben om hun gevoel te uiten in taal. Met mijn fotoserie wil ik de eigenheid van cosplayers laten zien. Vaak worden ze weggezet als kinderlijk. Ze omarmen juist de vrijheid om zichzelf te zijn.”
Niet voor iedereen is cosplay overigens een toevluchtsoord, zegt ze. „Een groot deel vindt het gewoon leuk om te knutselen en creatief bezig te zijn. Om iets moois aan te trekken en naar een conventie te gaan.”
Vroeger was Willy Kling (73) timmerman en trainde hij de plaatselijke voetbaljeugd. Nu is hij met pensioen en traint hij waterslagers. Dat is een kanarieras dat speciaal voor de zang wordt gefokt, waar dan weer wedstrijden voor worden georganiseerd. Vanzelf gaat dat zingen niet: alleen de mannetjes doen het, en ook die brengen hun krachtige, gevarieerde, als klokkend en borrelend water klinkende lied alleen na een zorgvuldig uitgedacht trainingsregime.
Er is een jaarlijkse cyclus, die rond deze tijd van het jaar begint. De zang van de waterslager is deels erfelijk bepaald, dus de in het Gelderse Wijchen wonende Willy Kling en zijn vrouw (die „voor 200 procent” achter zijn hobby staat) koppelen een melodieus mannetje aan een vrouwtje, een ‘pop’, en dan hopen ze „dat daar weer toppers uitkomen”. Als ze vijf dagen oud zijn krijgen de jonge vogeltjes een voetring met daarop het kweeknummer dat Kling van de bond toebedeeld kreeg en een uniek nummer per dier.
In november, als ze een klein half jaar oud zijn, begint de zangles. In de volière laten de mannetjes zich dan al horen, maar nu gaan Kling en zijn vrouw ze ‘opkooien’, zoals dat heet: vier boven elkaar, elk in een eigen kooitje. Waterslagers beginnen te zingen als het licht wordt, dus hij zet ze in een volledig verduisterde ruimte waar hij met een lamp meerdere keren per dag een zonsopkomst veinst. En dan luisteren. Twaalf verschillende geluiden (‘toeren’) onderscheiden de experts: de klokkende, bollende en rollende waterslag moeten ze in het repertoire hebben, net als bijvoorbeeld het knorren, woeten, bellen en tjokken. Belangrijk is dat de onderste van de vier een brutaal knaapje is, niet bang het voortouw te nemen: waterslagers beginnen doorgaans te zingen zodra ze onder hen een soortgenoot horen.
Kling zit erbij en noteert. „Het mooiste”, zegt hij, „is als ze alle vier hetzelfde lied inzetten, dat het een zuiver in het gehoor liggend geheel is. Als er een met de knor begint en een ander met de klok, dan klinkt het niet.”
Hoe krijg je dat voor elkaar? Lachend: „Ja, dat is het uitzoeken van de liefhebber.” Het samenstellen van goed op elkaar ingespeelde kanarieteams helpt natuurlijk. En voedsel is belangrijk. Kling experimenteert met soorten voer, weegt het op de gram nauwkeurig. Anijszaad, bijvoorbeeld, is wat nootachtig, dat is heel goed voor de keeltjes. „Maar welk voer precies, en in welke hoeveelheden: dat is geheim. Daar ben ik járen mee bezig geweest.” Wat ook helpt is een strak ritme: niet de ene dag voeren om vijf uur en de volgende pas om zes uur. „Een mens moet regelmaat hebben, maar een vogel ook.”
Zo werkt hij toe naar de wedstrijden. Het Nederlands kampioenschap was de afgelopen jaren in Urk. Kling neemt altijd een wedstrijdselectie van 24 waterslagers mee; zes teams van vier, in houten koffers. De bedoeling is dat je ze daar aflevert, je mag er niet bij zijn als de keurmeesters naar het gezang van de deelnemende vogels luisteren en scores toekennen. Wel geeft Kling zijn eigen voer mee, en zelfs zijn eigen water. „Dat is gewoon kraanwater, maar wel van hier. In Wijchen is het water anders dan in Katwijk of Urk. Elke plaats heeft z’n eigen hardheid.” De kleinste verandering van spijs, zo gelooft hij, zou de zang van z’n vogels kunnen aantasten. Zo werd hij al meerdere keren Nederlands kampioen – en zelfs een keer wereldkampioen.
Foto’s Eveline van Elk
Op het laatste NK, afgelopen januari, heeft hij „wel goed gedraaid, laat ik het zo zeggen”. Er zijn meerdere categorieën: een voor het kwartet vogels boven elkaar, een voor duo’s, een voor enkelingen. Hij kwam thuis met respectievelijk de tweede, derde en tweede plaats. Tevreden? „Jah, ik ben ergens wel blij, maar toch, toch.” Bij meerdere andere zangwedstrijden ging hij dit jaar naar huis met de prijs voor ‘meesterzanger’: die is voor de vogel die van alle 250 tot 300 die meededen het mooist zong. Van prijzengeld is overigens geen sprake; Kling en andere deelnemers doen het voor de eer.
Foto Eveline van Elk
De vogels gaan na de wedstrijd weer naar de volière; sowieso zitten ze nooit langer dan twee, drie dagen achtereen in het kleinere kooitje, zegt hij. Na zo’n cyclus gaan ze naar een opkoper, die ze naar onder meer het Midden-Oosten en Vietnam vervoert. „Schijnbaar willen die mensen daar ze in huis hebben.”
Er zijn steeds minder mensen die dit doen, zangkanaries kweken en leren zingen. Met duizenden waren ze in de jaren vijftig, nu is Willy Kling een van de weinigen die er nog elke dag mee bezig is.
Ja, elke dag, benadrukt hij, maar niet de héle dag. „Je kunt wel eindeloos bij die kooien gaan liggen hangen, maar dat vinden die vogels ook niet leuk.”