Een kleurrijk, in 1932 door Pablo Picasso geschilderd portret van zijn ‘gouden muze’ Marie-Thérèse Walter is woensdagavond bij Sotheby’s in New York geveild voor 139,4 miljoen dollar, ruim 130 miljoen euro. Het is daarmee een van de tien duurste geveilde kunstwerken ooit.
Het doek was het topstuk van de verzameling van Emily Fisher Landau, een Amerikaanse die in maart op 102-jarige leeftijd overleed. Na een spectaculaire juwelenroof in haar New Yorkse appartement in 1969 besloot Landau van de verzekeringsgelden moderne kunst te gaan verzamelen. In interviews noemde ze de inbraak later het „beste wat haar ooit was overkomen”.
Kunstmarkt onder druk
Naar de Emily Fisher Landau-veiling was met spanning uitgekeken. Door de hoge rente en de oorlogen in Oekraïne en Gaza zijn het economisch onzekere tijden en staat de kunstmarkt onder druk. Het ging woensdag opmerkelijk goed. De avondveiling van Landau-collectie, waarop 31 kunstwerken werden aangeboden, eindigde met een opbrengst van 406,4 miljoen dollar. Vooraf had Sotheby’s een opbrengst voorspeld tussen de 344 en 430 miljoen dollar. Deze donderdag volgt nog een dagveiling met 89 andere werken van Landau. Nu al is het de hoogste opbrengst ooit voor de collectie van een vrouwelijke verzamelaar.
De Picasso, Femme à la montre, is een van de vele portretten die Picasso maakte van Marie-Thérèse Walter, jarenlang zijn geheime liefde. De toen 45-jarige Spaanse kunstenaar was getrouwd met de Oekraïense danseres Olga Khokhlova, de moeder van zijn zoon Paulo, toen hij de nog maar 17 jaar oude kunstenares Walter in 1927 voor het eerst ontmoette op de stoep voor het Parijse warenhuis Galeries Lafayette. Vlak voordat Picasso dit portret in 1932 schilderde, was hun verhouding publiek gemaakt.
Een ander opmerkelijk resultaat woensdagavond was de 18,9 miljoen dollar voor het doek Grey Stone II (1961) van Agnes Martin, een veilingrecord voor de Amerikaanse minimalistische kunstenaar. Het veilinghuis had gerekend op een opbrengst van maximaal 8 miljoen dollar.
Romana Vrede heeft de Toneelschrijfprijs 2024 gekregen voor haar tekst Tijd zal ons leren. De prijs werd op 4 april 2025 uitgereikt tijdens de opening van het Shakespeare is Dead Festival in Vlaams Cultuurhuis de Brakke Grond, Amsterdam.
In de tekst Tijd zal ons leren eert Romana Vrede de helden onder de tot slaaf gemaakten. Zij die in opstand kwamen tegen de slavenhandel. „Stilmakende verhalen”, schreef NRC in de recensie van de voorstelling uit 2023, waarin Vrede de tekst zelf speelde.
Vrede eert ook haar moeder, die in 2020 overleed. „Die pijnlijke gebeurtenis ligt onder iedere mooie herinnering en geestige anekdote”, schreef NRC. „Elk los verhaal dat Vrede begint te vertellen, leidt onherroepelijk terug naar haar moeder, tot ze er niet langer onderuit komt het verlies bespreekbaar te maken. Wat zou zij hebben gevonden van de Nederlandse excuses voor het slavernijverleden, vraagt Vrede zich bijvoorbeeld af. Ze spreekt de woorden uit die ze nog tegen haar moeder had willen zeggen: ‘Alles wat je hebt bedacht, gezegd, gevoeld, trilt verder, voor altijd. De golven van jouw steen trillen verder in mij.’”
Volgens de jury is de tekst „zo dwingend, veelomvattend en met grote zorg en gevoel voor ritme neergeschreven, dat je bij ieder woord voelt: dit is immens belangrijk.” En: „Elk woord is vanzelfsprekend cruciaal in deze loepzuivere, persoonlijke tekst. Het is een tekst die je met tederheid, vurigheid, literaire finesse, indrukwekkende kennis van zaken en een onweerstaanbaar muzikale taal dwingt om niet langer weg te kijken van een stuk geschiedenis. Maar om het te beleven. Te herbeleven. En dan, samen, voorzichtig te helen.”
Tijdens de uitreiking ontving Romana Vrede een oorkonde en 10.000 euro prijzengeld. De andere genomineerden waren Giovanni Brand (voor Zanger zonder volk), Esther Duysker, voor The Story of Travis en BOG, voor BOG.2). Zij kregen elk 1.000 euro.
De jury van de Toneelschrijfprijs 2024 – met recensent Els van Steenberghe, schrijver/advocaat Rachida Lamrabet en schrijver Thomas Verbogt – beoordeelde 54 inzendingen.
De Toneelschrijfprijs wordt doorgaans in september uitgereikt, maar er was vertraging doordat organisator Fonds Podiumkunsten er vorig jaar onvoldoende tijd voor beschikbaar had.
De prijs is een gezamenlijk initiatief van Literatuur Vlaanderen, het Nederlands Letterenfonds, de Taalunie en Fonds Podiumkunsten, met steun van Sabam for Culture, het Lirafonds en deAuteurs.
Eerder winnaars waren Casper Vandeputte en Vincent van der Valk, voor Immens (2020), Mathieu Wijdeven en Raoul de Jong, voor Het waarom beantwoord (2022) en Maarten van Hinte, voor Queen of Disco (2023).
Klanken die zich aan de huid lijken te plakken, zuigende echo’s en een zangstem die kronkelt als een streling. In ‘Short Story’ horen we gospelachtige stemmen roepen: „And the strain and thirst are sweet.”
Wordt hier de eenwording met God bezongen of is het de vleselijke versmelting? Vanuit welk verlangen maakte zanger-muzikant Justin Vernon, alias Bon Iver, zijn nieuwe album Sable, Fable?
Het antwoord is verrassend simpel. De ondoorgrondelijke zanger uit Wisconsin die zich al een carrière lang verstopt achter een volle baard en zijn falsetstem drenkt in priemende geluidseffecten, heeft een nieuw motto: niet meer ‘Wees onzichtbaar’ maar ‘Only got so much time to live. Let’s be sexy’. Vanuit dat idee begon Vernon (43) zo’n vier jaar geleden aan zijn vijfde album.
Anders dan op de vorige platen, 22, A Million (2016) en i,i (2019), toen hij keyboards, gitaar en rafelige echo’s hard op elkaar liet botsen, is er nu de glooiing van sensuele zang die zich verenigt met een pedal-steelgitaar of een wellustige sax. Op Sable, Fable ontstaat een warmbloedige sfeer dankzij een gorgelend orgel en dansende drums, terwijl Vernon opgewekt verslag doet van zijn lust en liefde.
Die openhartigheid over gevoelens betekent niet dat hij is teruggekeerd naar de akoestische stijl van zijn debuut For Emma, Forever Ago, uit 2008. Ook nu verpakt Vernon de sensualiteit in een laagje experiment. Hij laat akoestische instrumenten glanzen en gooit er dan een deken van stekelige effecten overheen. Binnen een liedje zwenkt hij van country-achtige gitaren naar bombastische elektronicawolken, aangenaam aangevuurd door een galopperend ritme. In bijvoorbeeld ‘Everything Is Peaceful Love’ zijn de zangpartijen euforisch, in ‘Walk Home’ klinken ze geprangd, en wordt de erotische boodschap („Pull me close up to your face/ Honey, I just want the taste”) dan weer gebracht met een vervormd, kobold-achtig stemmetje.
Terug in zijn schulp
For Emma, Forever Ago was het album dat Vernon mede dankzij de single ‘Skinny Love’ plotseling tot een internationaal populaire muzikant maakte. De zanger die hoopte ooit elk weekend in een andere kroeg in Wisconsin te kunnen optreden, moest plotseling non-stop op tournee rond de wereld.
Na de eerlijke inhoud van de liedjes op het debuut, over zijn gebroken hart, kroop Vernon in zijn schulp. Hij bleek, ontdekte hij, als mens niet opgewassen tegen het sterrenbestaan, met zijn lange reeksen optredens in sporthallen en de bemoeizucht van onbekenden.
Hij voelde zich opgejaagd en uitgeput, vertelde hij onlangs aan The New York Times, alsof er permanent een laars op zijn borst gedrukt stond. Die laars, én de ontmoeting met Kanye West, was wellicht de aanleiding dat zijn aanpak na For Emma… en en het daarop volgende Bon Iver, Bon Iver (2011) veranderde. Hij werkte verschillende keren met West, hun bekendste nummer is ‘Lost in the World’ op Wests experimentele hiphopalbum My Beautiful Dark Twisted Fantasy (2010), dat een mijlpaal in zijn loopbaan zou worden.
Het lied was het begin van Vernons nieuwe, claustrofobisch klinkende muziekstijl. De onopgesmukte klank van weleer werd vervangen door weerbarstige instrumentaties, gekleurd door zijn avontuurlijke productietechniek. Met behulp van Granular Synthesis kon hij geluiden in kleine stukjes opdelen en in nieuwe volgordes zetten. Met sampling, ongewone microfoonopstellingen en Auto-Tune verhulde en versierde hij zijn instrumentaties – en verdwaalde hij soms in de mogelijkheden die de hedendaagse techniek hem bood.
Lees ook
Bon Iver: Omineuze pogingen jezelf te verstoppen
En de luisteraar verdwaalde met hem mee. Ook in de liedteksten, die vaak abstract en onbegrijpelijk waren, met onuitsprekelijke titels als ’22 (OVER SOON)’ en ’ ‘10 dEAThbREasT’ (van het album 22, A Million uit 2016).
De beste bescherming tegen de buitenwereld vond hij in digitale vermomming: zijn prachtige falsetstem klonk nauwelijks meer als die van Justin Vernon: we hoorden een dikke laag gestapelde stemframenten, bewerkt met effecten als ‘Pitch Shifting’.
Maar dat is nu anders. Zijn stem lijkt bevrijd uit het labyrint. Die zangstem, die ooit transformeerde van briesend in een grunge-band (pre-Emma), naar kwetsbare falsetstem, naar rafelige android, staat nu weer vol in de aandacht: wankel, sensueel, streng of stroperig als honing. Soms, bijvoorbeeld in het sobere ‘Awards Season’, zelfs a capella en zonder galm.
De transformatie is niet alleen een gift voor de luisteraar, het is ook een teken van zijn herstel. Vernon heeft zijn slopende vermoeidheid inmiddels afgeschud en verbleef in een afkickkliniek om zijn sigarettenverslaving te bedwingen. Hij verhuisde van koud Wisconsin naar warm Los Angeles, waar hij incognito over straat kan en elke dag basketbalt met mensen die hem alleen maar kennen als „die gast Justin”. Zoals hij zelf zegt: hij houdt weer van zichzelf.
Dit album is daar een uiting van, volgens hem. Het is zijn meest persoonlijke album, „omdat ik het vooral voor mezelf gemaakt heb”.
Vernon, die zijn stem de afgelopen jaren leende aan liedjes van popsterren als Charli XCX en Taylor Swift, nodigde op zijn beurt artiesten uit als Danielle Haim (van Haim), Jacob Collier en gitarist Michael Gordon, alias Mk.gee, die allen passen in de swingende, vitale stijl van Sable, Fable.
Zelfs zijn teksten zijn nu verrassend direct: „Keep the sad shit off the phone/ And get your fine ass on the road!” (‘I’ll Be There’), en introspectief: „Nothing really happened like I thought it would” (‘Speyside’). En als ze ambigu zijn, dan zijn ze mooi mysterieus: „There are things behind things behind things”. De laars is weg, Justin Vernon is terug.
Bon Iver: Sable, Fable verschijnt vrijdag 11 april bij Konkurrent.
Op de Parijse begraafplaats Père-Lachaise staat een vrouw bij het graf van Édith Piaf. Met een Spaans accent zingt de vrouw zachtjes Non, je ne regrette rien. De bloemen op het graf zijn vers. Een paar mussen hupsen wat rond over de zerken. Afgezaagd? Misschien, al is het een waargebeurde scène. Dat is nu eenmaal waar het chanson ons toe aanzet: heerlijk zwijmelen, zoals alleen de Fransen dat goed kunnen. Alhoewel, alleen de Fransen?
Het chanson is het levenslied, het lied van de troubadours. Geen genre dat zó bij een natie hoort en zo Frans voelt.
En toch wordt het genre in belangrijke mate gedragen door migranten en kinderen van migranten. Piaf had een Marokkaanse grootmoeder, de ouders van Charles Aznavour waren Armeense vluchtelingen, Jacques Brel was een Belg en Georges Moustaki een Griek. Serge Gainsbourg was de zoon van Joodse Oekraïners en Yves Montand, Serge Reggiani en Georges Brassens waren zonen van Italianen. Enrico Macias schreef ‘Adieu Mon Pays’ op de boot waarmee hij Algerije moest verlaten, en Dalida komt uit Egypte. Volgens mij is dat allemaal geen toeval: het chanson is een artistiek toevluchtsoord voor wie tussen werelden leeft, voor wie een barst in de stem heeft, en in de ziel. Voor mensen met verhalen die ze wel móéten vertellen.
Hoe klinkt het? En waar komt het vandaan?
De wortels van het chanson liggen in het Parijs aan het eind van de 19de eeuw. Meer specifiek in Le Chat Noir, het eerste cabaret ter de wereld. Beïnvloed door het opkomende realisme in de literatuur ontstond het chanson réaliste: openhartige teksten op eenvoudige composities over het rauwe stadsleven. In het interbellum groeide het chanson uit tot een persoonlijker, kwetsbaarder genre (Joséphine Bakers ‘J’ai Deux Amours’ (1930)). Tijdens de oorlog vond het patriottisme haar weg naar het chanson, gevangen in klassieker ‘Douce France’ (1943) van Charles Trenet.
Poëzie is altijd de kern van het genre geweest en gebleven, zoals de grootste dichter van allemaal Charles Aznavour het in een documentaire voor de BBC stelt: „Het Engelse lied is goede muziek en, indien mogelijk, goede tekst. Het Franse lied is goede tekst en, indien mogelijk, goede muziek.”
Na de oorlog groeide La Rive Gauche van Parijs uit tot toevluchtsoord voor getroebleerde zielen, kunstenaars en vrijdenkers. Édith Piaf vierde in rokerige cafés het bevrijde leven, door een roze bril bekeken en zonder spijt geleefd – ‘La vie en rose’ (1946), waarna Brel zijn wanhopige verdriet om minnares Suzanne Gabriello in de Franse ziel kerfde met ‘Ne me quitte pas’ (1959). Serge Gainsbourg maakte het genre meer dansbaar en provocerend (Je t’aime… moi non plus hijgt Jane Birkin in 1969) en Alain Souchon, zoon van Zwitserse ouders, voorzag het chanson van een dosis pop. Dat deed ook Étienne Daho, geboren in Algerije, die een meer synth-georiënteerde sound bracht. In andere woorden werd het chanson minder plechtig, en (zelf)kritischer.
Naar wie moet ik (nu) luisteren?
Wanneer je Aznavours definitie hanteert zijn de erfgenamen van het chanson overal. Dan past ook de Franse spoken word van bijvoorbeeld Abd Al Malik in de traditie, of de enorm populaire electrobeats van Stromae.
Recent lijkt het klassieke chanson overigens weer op te leven. Zie de muziek van de piepjonge Zaho de Sagazan, maar ook die van Clara Luciani en Barbara Pravi. Het chanson zal leven zolang er mensen in Frankrijk rondlopen voor wie verhalen vertellen de enige manier is om de ziel onder de arm vandaan te halen. Verhalen op straat, in een café of op een kerkhof in Parijs, waar iemand meer dan zestig jaar na haar dood, zachtjes zingt voor Piaf.